'Een echte oude boerderij bezitten...'
In den beginne was de zorg. De zorg over de moderne tijd, waarin de omwenteling van de landbouw de teloorgang van het aloude teweeg bracht. De mensen op het platteland hadden gedurende eeuwen op nagenoeg dezelfde manier gewoond, geleefd, het land bewerkt en dieren gehouden. De landbouwrevolutie maakte daar vanaf het einde van de negentiende eeuw met rasse schreden een einde aan: de grupstal kwam in de plaats van de potstal en luidruchtige motoren vervingen de spierkracht van mens en dier. Tenminste één Saksische boerderij in de regio moest behouden blijven voor het nageslacht. Met dat doel richtten in 1925 zeven deftige heren in de Buitensociëteit in Zutphen de 'Oudheidkundige Vereniging De Graafschap' op. Onder hen meester H.W. Heuvel, hoofd der school in Borculo. Diens ideaal: 'Een echte oude boerderij bezitten, zooals die altijd geweest was voor stoom, benzine en elektriciteit alles begonnen te veranderen. Dit boerenbedrijf laten bestaan, opdat het nageslacht tot in de lengte van dagen zal kunnen aanschouwen, hoe onze voorouders in de Graafschap leefden en werkten. Daarvoor is thans de tijd gekomen, immers in onzen beschaafden tijd wordt alles gladgeschaafd.' Heuvel overleed een jaar na de stichting van De Graafschap, in 1926. Zijn metgezellen richtten de Meester H.W. Heuvelstichting op, die zich zou bezighouden met de aankoop van een boerenhuis. Dat dit De Lebbenbrugge in Borculo zou zijn, was lange tijd niet zeker: de onderhandelingen verliepen moeizaam en de heren namen ook een kijkje op twee andere boerenerven: Het Rijkenbarg in Ruurlo en Het Ontink in Eibergen. Volgens Ben van Dijk, die zich ter gelegenheid van het 75-jarige bestaan in de oprichtingsgeschiedenis van De Lebbenbrugge verdiepte en er een boekje over samenstelde, is het aan G.A. van der Lugt te danken dat het museum uiteindelijk in Borculo werd gevestigd. "Van der Lugt kwam in verzet, daarom zie ik hem als de grote oprichter achter het museum." Van Dijk ontdekte in de archieven hoe slim de onderwijzer uit Gelselaar het speelde: Van der Lugt maakte sluw gebruik van het succes van de 'Graafschapschen Folkloredag' in 1928, die werd gehouden om geld in te zamelen voor aankoop van De Lebbenbrugge. Duizenden mensen kwamen die dag naar Borculo voor een folkloristische optocht met de titel 'Eenvoud en waarheid'. In een speciale bijlage schreef de Borculosche Courant op 28 augustus 1928: 'Zoveel volk was er zelfs met de Stormramp nog niet bijeen geweest. In rijen van 6 tot 10 personen dik keek men naar de optocht. Etalagekasten bevatten slechts levende poppen. Uit vensters hingen ritsen meisjesbenen te bengelen, zelfs dakramen waren bezet.' De folkloredag werd in Borculo gehouden, volgens de officiële lezing omdat 'Borculo het middelpunt is van een streek, waar de bevolking, hoewel vooruitstrevend op velerlei gebied, toch nog sterk aan het oude gehecht is en de oude gebruiken en de ouderwetsche kleederdrachten nog in eere houdt.' "Een verzinsel", oordeelt Van Dijk. "Was dat niet in de meeste plaatsen in de Graafschap zo? Zeker na die cycloon geloof ik niet dat in Borculo alles nog zo goed behouden was." Hij vermoedt een andere reden: de keuze viel op Borculo om de geesten en dus het geld 'rijp' te maken voor de aankoop van De Lebbenbrugge. Dat bleek een jaar later, toen de koop vanwege moeilijke onderhandelingen met de verkoper, D.H. ten Klooster uit Amsterdam, weer eens ter discussie werd gesteld. Van der Lugt klom in de pen: 'U zult mij zeker niet verdenken van kleinsteedsch chauvinisme, maar de f 1200,- die hier in Borculo opgehaald zijn, evenals de f 3000,- die door het Uitvoerenden Comité van de Graafsch. Folkloredag zijn overgedragen aan de Heuvelstichting, zijn gegeven in de verwachting dat de Heuvelstichting in deze gemeente haar 'museum' zou stichten. Wanneer de menschen hadden kunnen vermoeden, dat het museum ergens anders zou komen, dan hadden zeer velen of niets, of veel minder gegeven.' Het pleidooi miste zijn uitwerking niet. De Lebbenbrugge bleef in beeld en na bijna vijf jaar onderhandelen werd op 28 oktober 1931 in het kantoor van notaris Verwey de transportakte gepasseerd. De Meester H.W. Heuvelstichting werd voor 5000 gulden eigenaar van de boerderij, schuur, weg, brug, singels en zo'n zestig are grond. Restauratie en inrichting namen nog eens drie jaar in beslag, maar op 25 augustus 1934 was het zover: het museum De Lebbenbrugge werd officieel geopend.

